Het grote dorp of de kleine stad Gaza ligt aan wat wijlen Earl Wavell, in zijn boek over de Palestinacampagnes van de Eerste Wereldoorlog, beschreef als “een van ’s werelds oudste en belangrijkste hoofdwegen, de belangrijkste route tussen de vroegst bekende wiegen der beschaving,  de valleien van de Eufraat en de Nijl.”. Vanuit Egypte, schrijft hij, “volgt het traject de kust wanneer het door de onherbergzame Sinaï-woestijn loopt; daarna bereikt het de vruchtbare vlakten van Filistia en Sharon, waarbij het de hoge rotsenvesting van Judea oostelijk laat liggen”. De weg bereikt Gaza inderdaad rechtstreeks vanaf de rand van de woestijn, door de smalle kuststrook die de hele wereld nu kent als de Gazastrook.Het gebied stond onder Turks gezag tot 1918, en werd toen deel van het Britse Mandaat voor Palestina tot 1948; op de dag dat Israel vrij werd, werd het binnengevallen door Egypte. Wavell was betrokken bij Gaza omdat de Britten er drie grote veldslagen tegen de Turken hadden geleverd – in maart, april en november 1917 – teneinde een toegangspoort tot Palestina te forceren. De derde poging was een succes. Vanaf begin 1949 was het eindpunt van de tweewiegenroute echter een checkpoint op enkele kilometers ten noorden van Gaza: dit was een toegangspoort tot nergens geworden voor driehonderdduizend mensen. De aanwezigheid van tweederde van hen was aanvankelijk het gevolg van een militaire vergissing. Na het staakt-het-vuren in de Israëlisch-Egyptische oorlog van 1949 werden de Egyptische linies vanuit Sinaï, dat officieel Egyptisch was sinds 1906, doorgetrokken naar de zuidwesthoek van Palestina. Achter deze linies zaten naar schatting zo’n kwart miljoen Arabisch sprekende vluchtelingen uit het hele Palestijnse kustgebied opgesloten. Tijdens hun vlucht hadden ze de historische hoofdroute van noord naar zuid gevolgd en waren gestopt omdat ze een woestijn hadden bereikt. Het is niet waarschijnlijk dat ze die in andere omstandigheden wel hadden willen doorkruisen, aangezien ze Palestijnen en geen Egyptenaren waren en hun rassen net zo onverenigbaar zijn als de landschappen verschillen. Hun exodus was overhaast en onverstandig geweest, net als die van de Franse burgers in 1940. Veel van de laatste vluchtelingen kwamen uit dorpen die slechts enkele kilometers ten noorden lagen van wat hun gevangenismuur zou worden. Als de vrede zou zijn getekend, of als de Israëli’s de Gazastrook zouden hebben veroverd vóór de wapenstilstand, dan zouden de vluchtelingen opnieuw opgenomen zijn in Israel en binnen weken of maanden zijn teruggekeerd. Maar er volgde geen verdrag op de wapenstilstand, die nooit meer was dan een gebrekkig staakt-het-vuren. De oorlogszuchtige verhouding tussen Israel en z’n tegenstanders bleef bestaan en de vluchtelingen van Gaza, die tegenover helemaal niemand oorlogszuchtig waren, bleven waar ze nu nog zitten; alsof de Franse vluchtelingen die tegen de Spaanse grens werden vastgezet in 1940, sindsdien nog steeds gevangen zouden zitten in een kuststrook tussen St.-Jean-de-Luz en Bayonne. Gedurende al die tijd heeft Egypte de zuidelijke doorgang uit de Gazastrook geblokkeerd, zonder voor te stellen het gebied te annexeren en zonder de Gazanen ooit het Egyptisch staatsburgerschap aan te bieden met de vrijheid om te verhuizen naar de Nijl. Weinig Gazanen hadden wellicht dit voorstel geaccepteerd als het was aangeboden, maar niemand kreeg de mogelijkheid om het af te slaan. De vluchtelingen en de eerdere bewoners hebben derhalve gedurende acht jaar samengeleefd als mensen die gevangen zitten in een duikboot op de bodem van de zee, zonder uitweg en met een onzekere voorraad zuurstof. Wanneer toneelschrijvers zulke situaties behandelen gebruiken ze veel dialogen, en met recht: mensen die hun omstandigheden niet doeltreffend kunnen verbeteren gaan praten en dat is wat de gevangenen van de Gazastrook bijna onophoudelijk hebben gedaan sinds 1949.

De Gazastrook is geen onaantrekkelijke gevangenis; voornamelijk aangename, maar niet spectaculaire landschappen, vlak met uitzondering van een lage heuvelrug, genaamd Ali Muntar, ten noorden en oosten van Gaza Stad. Ten zuiden van Gaza is het zo’n twintig kilometer groen, daarna wordt het ruiger en woestijnachtig om uit te lopen in troosteloosheid te Rafah, het laatste dorp. Van noord naar zuid is het ruwweg 40 kilometer, 8 van west naar oost, maar het bouwland is beperkter vanwege stranden en duinen langs de Middellandse kust. De beste grond voedt sinaasappelgaarden, eucalyptusbomen, cactussen en geiten. Toen het staakt-het-vuren de vluchtelingen hier aantrof was het gebied reeds overbevolkt. De reden hiervoor is dat het, naast de boeren en vissers die het normaal had kunnen onderhouden, Gaza Stad omvatte, de belangrijkste plek in zuidelijk Gaza, met een pre-vluchtelingenbevolking van veertigduizend die afhankelijk was van het achterland, waarvan ze door de oorlog waren afgesneden. Gaza was natuurlijk een beroemde plek uit de oudheid, het was het land van de Filistijnen en wordt geassocieerd met die Bijbelse Fanfan la Tulipe, Samson, die er lokaal van wordt verdacht de pilaren van de Filistijnse Tempel te hebben opgeraapt, nadat hij deze had neergehaald, om ze vervolgens naar het uiterste puntje van de heuvelrug Ali Muntar te brengen, alwaar het nageslacht vol bewondering een maraboe als gedenkteken heeft opgericht. (Fanfan la Tulipe was een populaire avonturenfilm uit 1952, noot vertaler). Gaza is verscheidene malen veroverd: door Alexander de Grote, door Pompeius, Napoleon en Saladin, hetgeen wel aangeeft dat Gaza de moeite van het veroveren waard was. Gedurende de Middeleeuwen was het een centrum van textielnijverheid en gaf het zijn naam aan het zeer fijne weefsel gaas (Engels gauze, Frans gaze). Een maatstaf voor zijn huidige uitmuntendheid is de gevangenis, de grootste die de Britten ooit hebben gebouwd in Palestina. De stad wordt opgesierd door de huizen van de Moslim-landeigenaren, wier bezittingen zich ooit uitstrekten tot ver ten noorden en oosten van de huidige grenzen. Met de vaste bewoners plus de vluchtelingen is het onmogelijk voor de Gazastrook om in de eigen behoeften te kunnen voorzien.

Gedurende de vier maanden van bezetting van Gaza, die op 1 november [1956] begon en eindigt nu ik dit schrijf, deden de Israëli’s niets om dit menselijke gezwel aan hun grenzen te verminderen, behalve het doodschieten van een betwist aantal burgers toen de troepen binnenvielen en het verwijderen van vijfentwintig wat al te vriendelijke families toen ze weer vertrokken. Hun hernieuwde contact met de vluchtelingen leek een mogelijkheid te bieden om onderhandelingen over de terugkeer van enkelen en de compensatie voor anderen te beginnen, maar die kans werd genegeerd en de gangbare Israëlische mening over Gaza na de terugtrekking kan worden gevonden in een stuk – ondertekend met “diplomatiek correspondent” – op de voorpagina van de Jerusalem Post van afgelopen dinsdag: “Het blijven beheren van dit eiland van ellende en haat zou een vermoeiende en kostbare onderneming zijn voor zo’n klein land als het onze. Het beste voor de vluchtelingen zelf is waarschijnlijk de weg die een miljoen joden gekozen hebben: emigratie.” Het advies van een diplomatiek correspondent aan mensen die gevangen zitten in een duikboot is: bel een taxi.

Mijn eigen kennismaking met Gaza dateert van slechts tien dagen geleden, maar ik had het geluk om al vroeg tijdens mijn verblijf het perspectief te verwerven van een man die Gaza al heel lang kende. Dat was generaal Refet Bele, commandant in het Turkse legerkorps dat de stad veertig jaar geleden tegen de Britten had verdedigd. De generaal zat uit te buiken in de zon op het terras van een keurig pension en beschouwde met ingehouden vermaak de ongeschonden villa’s om hem heen. Het pension is ver verwijderd van het Arabisch deel van de stad en staat tussen de onderkomens van de rijke landeigenaren. Een kleine, dunne man, met het hoofd van een valk, dat groot leek in verhouding tot zijn gekrompen nek, parmantig in zijn geruite pak. Volgens hemzelf is hij vijfenzeventig jaar oud. De generaal is de Turkse vertegenwoordiger voor de UNRWA en heeft de status van ambassadeur. UNRWA zorgt voor voedsel, medicijnen en onderwijs voor de vluchtelingengemeenschap, die volgens de laatste hoofdelijke telling uit 219.423 personen bestaat in Gaza. Generaal Bele vertelde me dat hij een majoor was van 33 jaar toen Turkije zijn oorlog begon. Drie jaar later stond hij aan het hoofd van een legerkorps. “Als majoor leidde ik een detachement van Palestina naar het Suezkanaal, nabij El Kantara”, vertelde hij, “maar ik had niet voldoende manschappen om het kanaal in te nemen. De Britten gaven echter zo over mij op dat ik werd gepromoveerd.” Hij zuchtte, alsof hij zich iets herinnerde dat hij niet wilde delen. “Een genereuze vijand is beter dan een jaloerse vriend”, voegde hij eraan toe. Hij sprak in het Frans; hij zei dat hij Frans had gestudeerd in de Kaukasische garnizoenen met de romans van Pierre Loti en Paul Bourget. Hij vertelde me dat dit zijn eerste bezoek aan Gaza was sinds Israel het het afgelopen jaar veroverd had op Egypte (de Israëli’s waren er uiteraard nog steeds), en toen gaf hij me een aanwijzing voor het vermaak dat ik in zijn blik had ontwaard. “Toen ik Gaza verdedigde”, zei hij, “liet ik het volkomen vlak achter. Niet één huis – nog niet het kleinste – stond nog overeind.” Zijn rechterhand maakte een horizontale boog, de handpalm naar beneden. Ik kon zien dat hij zich gevleid voelde door de afgenomen kwaliteit van de oorlog sinds zijn tijd.

Ik vroeg hem hoe het in Palestina was geweest onder het Ottomaanse Rijk en hij zei: “Een land van pastoraal geluk, waar iedereen elke nacht heerlijk sliep. Joden, Arabieren en Christenen leefden veilig samen. Ze voelden dat ze een vader hadden.” Hij voelde dat het aanwakkeren van Arabisch nationalisme door de Britten, de doos van Pandora had geopend en hij was ongelukkig met de beëindiging van de Austro-Hongaarse en Ottomaanse Rijken. “Zij waren niet sterk genoeg om angst in te boezemen”, sprak hij, “maar door Duitsland te helpen boden ze een tegenwicht aan de kolos Rusland. Ze zijn vernietigd en nu ziet men het resultaat.” Ik liet hem achter in de zon, de kalmste en meest redelijke man die ik in Gaza heb ontmoet. De generaal zit hier echter niet gevangen. Na zijn inspectieronde en het bezoeken van de slagvelden gaat hij naar huis met cadeautjes voor zijn laatste kind, van zeven jaar oud.

Zelfs de leden van het internationale personeel van UNRWA die in Gaza gestationeerd zijn, lijden aan het gevoel opgesloten te zitten, hoewel hun situatie niet zo onomkeerbaar is als die van hun driehonderdduizend medegevangenen. Er landen twee vliegtuigen per week in de Gazastrook, afkomstig van het UNRWA-hoofdkwartier in Beiroet en iemand kan altijd overplaatsing aanvragen of ontslag nemen. Het sociale leven was beperkt voor de komst van de United Nations Emergency Force – er waren elf “internationals”, negen mannen en twee vrouwen – op het maximum van het personeel van drieduizend; alle anderen waren vluchtelingen, behalve enkele Egyptische en Libanese dokters, verpleegsters en leraren. Daar bovenop bevonden zich in het gebied nog een half dozijn officieren als waarnemers van de Verenigde Naties, Egypte en Israel Mixed Armistice Commission die geen officiële taken hadden aangezien de wapenstilstand afgelopen november opgeblazen was, en twee Amerikaanse Baptisten, medische missionarissen, die een ziekenhuis runden. Sommige mannen van UNRWA hadden hun familie bij zich gehad tot aan de gevechten van november, maar net voor de Israëlische aanval waren die op een vliegtuig naar Beiroet gezet, waar ze nu verblijven. Het personeel van UNRWA miste ook de afleiding die een grote stad kan bieden, zoals in Arabische staten waar zich andere vluchtelingen bevinden. Maar de belangrijkste oorzaak van het gevoel gevangen te zitten is besmetting. Het is moeilijk om lang in een gevangenis met driehonderdduizend gevangen te leven, zonder dat je soms aan claustrofobie gaat lijden.

De meeste vluchtelingen zijn verdeeld over acht grote dorpen van hutten die door henzelf gebouwd zijn met materiaal en onder leiding van de UNRWA. Alle vluchtelingen zijn ingeroosterd voor rantsoenen, maar van de veertigduizend families die een rantsoen krijgen, hebben er slechts vierentwintigduizend een onderdak via de UNRWA en deze nemen drieëndertigduizend kamers in beslag. Dat komt neer op 1.3 kamers per gezin, oftewel 4 personen per kamer naar Arabische maatstaven. De drukte is niet zo erg als het lijkt, maar voor de minderheid aan families waar een man twee of drie vrouwen heeft is het wel krap. De voedselrantsoenen bestaan eigenlijk alleen uit brood – 22 pond witte bloem per persoon per maand, waarvan de vrouwen platte broden bakken – en zeer kleine hoeveelheden linzen of bonen, olie of vet, suiker, rijst, en af en toe dadels. Dit komt neer op 1500 calorieën per dag; kinderen krijgen extra maaltijden op school. Het is niet geweldig, maar als het moet kun je zo het sterven van een mens oneindig uitstellen. De normale vluchteling stopt daarom veel tijd in het overbruggen van de kloof tussen het bestaansminimum en voldoende te eten krijgen – door voor de UNRWA te werken, of voor mensen die voor de UNRWA werken, door een magere hen of geit te houden, of door witte bloem te ruilen voor een grotere hoeveelheid van de minder waardevolle maar even voedzame lokale grauwe bloem. De rest van de tijd besteedt hij aan politieke gesprekken en bespiegelingen. 

Ik vroeg een man die een beetje Engels sprak om zijn dagelijkse routine te beschrijven. “’s Morgens sta ik op, dan loop ik door het dorp zonder ergens naar te kijken”, zei hij. “Dan ga ik buiten bij een koffiestalletje zitten, ook al heb ik geen geld voor koffie, en luister ik naar de radio. Ik speel ook trictrac.” – een soort backgammon, gespeeld met stenen in het zand. De vrouwen hebben niet veel meer te doen, aangezien het huishouden beperkt is. Ook baren ze kinderen en schelden die uit. De kinderen zijn nog het beste af, met school om hun gedachten bezig te houden en schoolmaaltijden als aanvulling op hun dieet. Ruim de helft van de bevolking is jonger dan zestien jaar en minstens een kwart van de huidige vluchtelingen moet in de Gazastrook zijn geboren. Ambtenaren zeggen dat de reden waarom de waarschijnlijk reële toename in het aantal vluchtelingen niet voorkomt in de statistieken, ligt in het feit dat de eerdere roosters opgekrikt waren door vluchtelingen die begrijpelijkerwijs probeerden extra rantsoenen te bemachtigen. De kloof tussen de reële en fictieve populaties wordt echter steeds smaller, aangezien de UNRWA de cijfers controleert.

Zulke onbeduidende details over het leven van de vluchteling zouden hem kunnen kleineren, gezien vanaf een afstand van duizenden kilometers. Een vluchtelingenkamp is inderdaad een kleinerende omgeving; alleen gaskamers, marteling en de hongerdood kunnen de menselijke tragiek de laatste tijd nog weergeven en zelfs daar hebben we snel genoeg van. Maar de Palestijnse Arabische boer – wat de meeste vluchtelingen zijn – is een soort mens die je wel degelijk serieus moet nemen. De uitzendingen waarnaar hij luistert zijn allemaal politieke speeches of commentaren op het nieuws met een politieke inslag: Radio Cairo, Damascus en Cyprus, de Voice of America, zelfs een Israëlisch programma in het Arabisch – hij is onverzadigbaar. De politieke romantiek van de wraak, die ontstond tijdens de eerste acht jaar van luisteren, kreeg een enorme dreun te verwerken toen de Israëli’s hun kracht toonden in november, en zijn hoop op een totaaloplossing voor het vluchtelingenprobleem door middel van geweld heeft een flinke knauw gekregen. Toen de Egyptenaren hier waren probeerden zij die romantiek te versterken door de hoop op elke andere oplossing uit te sluiten; het was bijvoorbeeld een soort verraad wanneer iemand toegaf dat hij compensatie voor zijn land zou kunnen accepteren van Israel, indien die aangeboden zou worden. Egyptische spionnen hielden de onophoudelijke publieke gesprekken heel goed in het oog en er was geen verleiding om de officiële doctrine van alles of niets te verlaten, aangezien er geen mogelijkheid was om voorbij de wegversperringen te geraken. In de Egyptische tijd was er zelfs geen vluchteling te vinden die zou zeggen dat hij zijn eigen land terug zou nemen, als dat betekende dat hij alleen terug zou keren naar Israel om onder de joden te leven (Er is uiteraard geen getuigenis dat zo’n aanbod ooit is gedaan). Deze legende van de monolithische onverzoenbaarheid van de ballingen – niet alleen die in Gaza, maar de hele diaspora, in Libanon, Syrië en Jordanië – was indertijd ook profijtelijk voor Israel, aangezien zo alle betalingen aan wie dan ook werden belemmerd. Het Israëlische argument, wanneer bezoekers de mogelijkheid opperen tot enige compensatie, is dat de situatie is veranderd sinds de Arabieren zijn vertrokken – en bovendien kan Israel het geld niet missen. Op enige kans op vestiging van de vluchtelingen in Israel luidt het: “We hebben het land nodig voor honderdduizend joden uit Portugal” – of Pimlico, of Guatemala; details doen niet ter zake. Veel Israëli’s zijn niet alleen niet in staat te beseffen dat hierin een paradox schuilt, maar evenmin in staat te geloven dat dit zonderling overkomt op een vreemdeling. Toch zijn er Palestijnen op het strand van Gaza, die zeggen: “Mijn land ligt op vijf kilometer van hier en zij hebben het afgepakt om het aan mannen te geven op tienduizend kilometer van hier”. Het verschil van mening is onverbiddelijk. De mate van onverzoenlijkheid die men uitspreekt, hangt echter af van de bekende politieke voorkeuren van je tolk – meestal een medewerker van het kamp -, en de vluchtelingen met de meeste inhoud en opleiding, die zelf Engels of Frans spreken, zijn over het algemeen de meest redelijke van allemaal. “Ik zou teruggaan om te kijken of ik gelukkig zou kunnen leven in de nieuwe omgeving”, zei zo iemand tegen me – men had mij gewaarschuwd dat hij een heethoofd was -, “en dan eens kijken of ik boel zou kunnen verkopen om ergens naartoe te gaan met meer vrijheid”.

De uitzetting van de Egyptenaren afgelopen november schiep een mogelijkheid tot contact tussen de huidige Palestijnen en de ex-Palestijnen. Deze mogelijkheid bestaat nog steeds, zolang de Egyptenaren niet terugkomen. De onverwachte aanval door het Israëlische leger maakte echter een eind aan de belangrijkste externe bron van inkomsten van de Gazastrook, afgezien van de bijdrage van de UNRWA aan de economie. Dit was het geld dat door vijf- tot tienduizend mannen die in de olievelden van Saoedi-Arabië, Koeweit en Qatar werkten, naar huis werd gestuurd. Toen de Egyptische autoriteiten het voor het zeggen hadden, lieten zij de Gazanen niet verder in Egypte toe dan de smerige oase El Arish (hoewel ze een uitzondering maakten voor Gazanen die aan Egyptische universiteiten studeerden), maar stonden Gazanen wel toe om te gaan werken in de olielanden. De Gazanen zijn vaak meer ontwikkeld en altijd technisch superieur aan de Arabieren van de Hedjaz (Saoedi-Arabië, noot vertaler) – of, wat dat betreft, aan de Egyptenaren. Hun vaardigheden zijn dan ook zeer in trek in de primitieve Arabische landen en de inkomsten die ze naar huis stuurden werden geschat op vijfentwintigduizend tot honderdduizend Egyptische ponden per maand. (Als Gazanen over geld praten, praten ze nog steeds in Egyptische ponden, die officieel twee dollar en tachtig cent waard zijn. Het Israëlische pond, met een officiële waarde van vijfenvijftig dollarcent, vond slechts langzaam zijn weg naar de Gazastrook, en op de dag voor de terugtrekking van de Israëlische strijdkrachten kon je zeven tot tien Israëlische ponden krijgen voor een Egyptisch pond – een prachtig buitenkansje om snel winst te maken met wat naar ik meen in de handel arbitrage wordt genoemd. Diezelfde week, werd mij verteld, kon men in Beiroet een Egyptisch pond kopen voor twee dollar. Het tart de verbeelding.)

Toen Israel de Gazastrook overnam werd alle communicatie met de Arabische landen uiteraard verbroken, aangezien Israel technisch gesproken nog in staat van oorlog met hen is. Een van de eerste en meest urgente taken van de Verenigde Naties te Gaza zal zijn om de Gazastrook open te houden voor communicatie en economisch verkeer in beide richtingen. Wellicht krijgen we die mensen dan toch uit die duikboot.

A.J. Liebling, 16 maart 1957 in The New Yorker

Vertaling Engelbert Luitsz